Van 3 april tot 13 september 2026 is in het Stadsarchief Amsterdam de tentoonstelling Jazz-jaren te zien, een presentatie over de levendige jazzscene die Amsterdam in de jaren dertig van de twintigste eeuw kende. Terwijl Europa gebukt ging onder economische crisis, opkomend fascisme en oorlogsdreiging, trad jong Amsterdam in de ban van hotjazz en swing. Wereldsterren als Louis Armstrong, Duke Ellington en Cab Calloway stonden op Amsterdamse podia, terwijl muzikanten uit Suriname, Oost-Europa en de Verenigde Staten zich in de stad vestigden.

De Vijzelstraat als middelpunt van een internationaal muzikantennetwerk

De Vijzelstraat, waar het Stadsarchief zelf is gevestigd, speelde een sleutelrol in het Amsterdamse jazzleven. In het Carlton Hotel aan dezelfde straat stond Louis Armstrong op het podium. In de bovenwoningen van de inmiddels gesloopte Vijzelflat woonden muzikanten uit Paramaribo, Kiev, Berlijn en New York die avond aan avond optraden in de stad. De Amsterdamse haven ontving in die jaren zo’n 1500 schepen per jaar met lijndiensten op Suriname en Indonesie, wat regelmatig jonge mannen uit Paramaribo naar de stad bracht. Sommigen bleven hangen en vonden werk in de havens of de uitgaanswereld.

Discriminatie en overleven in een harde werkelijkheid

De tentoonstelling verhult de schaduwkanten van dit bruisende milieu niet. Veel jazzmigranten waren Afro-Surinaams en kregen te maken met discriminatie. Het bestaan was er een van schnabbelen en hosselen, als kunstenaarsmodel of barman naast de muziek. Hoewel jazz overwegend een mannenwereld was, drukten ook vrouwelijke artiesten zoals Rosie Poindexter, Alma Braaf en Clara de Vries hun stempel op de Amsterdamse scene. Het boek dat bij de tentoonstelling verschijnt brengt vergeten vrouwelijke jazzmuzikanten expliciet terug in de schijnwerpers.

Jazzscene als ontmoetingsplek voor muzikanten en antikoloniale activisten

De tentoonstelling plaatst de Amsterdamse jazzwereld in een breder politiek kader. In de jaren dertig bereikte een internationale golf van Zwart antikoloniaal activisme vanuit de Caribische kolonien, de Verenigde Staten en Europese koloniale steden als Parijs en Londen ook Amsterdam. De jazzscene fungeerde daarbij als een van de ontmoetingsplaatsen waar Afro-Surinaamse artiesten en activisten elkaar vonden. Dat maakt de tentoonstelling tot meer dan een muziekgeschiedenispresentatie.

Archiefonderzoek brengt vergeten netwerk in kaart

De tentoonstelling combineert vroege geluidsopnames uit de collectie van Beeld en Geluid, fotografisch werk van Cas Oorthuys, schilderijen van Nola Hatterman en Berthe Edersheim, en uniek archiefmateriaal uit persoonlijke collecties. Op basis van archiefonderzoek is het netwerk van jazzmusici in Amsterdam systematisch in kaart gebracht, wat namen en verbindingen zichtbaar maakt die lang buiten het collectieve geheugen vielen. Het Stadsarchief organiseert een begeleidend programma met optredens, lezingen en rondleidingen gedurende de gehele looptijd.

Stadsgeschiedenis die verder reikt dan Amsterdam alleen

Jazz-jaren is een voorbeeld van hoe stadsarchieven hun collecties steeds vaker inzetten voor tentoonstellingen die lokale geschiedenis verbinden met mondiale processen. De keuze om de Amsterdamse jazzscene te positioneren als kruispunt van migratie, koloniale verhoudingen, emancipatiestrijd en populaire cultuur geeft de presentatie een laag die verder reikt dan nostalgische reconstructie. De vraag die de tentoonstelling impliciet stelt, namelijk hoe een stad tegelijk bruisend en onrechtvaardig kan zijn, is er een die vandaag net zo relevant is als in de jaren dertig.

Bron: Persbericht Stadsarchief Amsterdam, gepubliceerd op 12 maart 2026. Tentoonstelling van 3 april tot 13 september 2026.